De redactie van het Boeddhistisch Dagblad is geïnteresseerd in de ervaringen van mensen die het boeddhistisch pad volgen. De leer bestuderen en praktiseren. Al of niet op een kussen of in een sangha of in je eentje. Ben je zo’n iemand en wil je je ervaringen delen- hoe je het boeddhisme hebt ontdekt, wat het je opbracht en niet, je teleurstellingen en hoop, je verwachting, welke richting je volgt en waarom, of als je het boeddhisme weer hebt verlaten- stuur ons jouw ervaringen in een niet zo’n heel lange tekst toe om in de serie Boeddhistische doeners en denkers gepubliceerd te worden.

Over houten Boeddha’s en verschillende vormen van respect.

‘Tijdens een strenge winter verbleef Dan Xia in een zentempel in Changan, die helemaal ingesneeuwd raakte. Na een paar dagen was alle brandstof op en kon er zelfs niet meer gekookt worden. Bibberend van de kou begon Dan Xia de houten boeddhabeelden van het altaar af te halen en in de kachel te verbranden.

De andere monniken waren geschokt: ‘Wat doe je nu? Je vernietigt onze heilige beelden en beledigt de Boeddha!’
‘Leven deze beelden dan? En zijn ze ontwaakt?’ vroeg Dan Xia.
‘Natuurlijk niet, ze zijn van hout,’ zeiden de monniken.
-‘Dan zijn het gewoon stukken brandhout en komen ze goed van pas. Geef er nog eens een paar door, het is echt koud!’

Toen de sneeuwstorm eindelijk was gaan liggen, haalde Dan Xia op de markt nieuwe boeddhabeelden voor het altaar. Hij stak wierook aan en op zijn knieën zong hij er talloze soetra’s voor.

‘Vereer je nu dat brandhout?’ vroegen de monniken ondeugend.
‘Nee,’ zei Dan Xia zacht, ‘ik eer de Boeddha in deze heilige kunstwerken.’

Ik groeide op in een huis vol boeddhabeelden. Het was in de jaren zeventig en mijn ouders hadden op de een of andere manier een grote liefde voor Aziatische kunst opgevat. Die was toen nog niet zo makkelijk vinden; boeddha’s waren nog tamelijk exotisch in die tijd. Dus mijn ouders moesten bijvoorbeeld naar het veilinghuis dat eens in de zoveel tijd Aziatische kunst aanbood, om telkens weer een kleine aanwinst voor hun collectie te vinden.

En zo stonden er op den lange duur bijna twintig boeddhabeeldjes, klein en middelgroot, door ons huis verspreid. Ik dacht er als kind niet over na, het hoorde gewoon bij het huis, net zoals de andere kunstvoorwerpen: een schilderij, een litho, een vaas. Geen idee dat er zoiets als ‘boeddhisme’ bestond – laat staan wat dat zou inhouden.

Wel kon ik in mijn moeders stem liefde en respect horen als ze over de Boeddha sprak. En mijn vader kon soms opeens de Boeddha citeren.

In de jaren tachtig, toen ik al op kamers woonde, kwam er een abrupt einde aan de boeddha-collectie. Mijn ouders waren op vakantie. Een zeker familielid, dat ondertussen aan hard drugs verslaafd was geraakt, bezat ongelukkig genoeg nog een sleutel van hun huis. Zij nam alle boeddha’s mee, samen met haar junkie-vriendje. Geen spoor van braak achterlatend.

Mijn ouders waren totaal onthutst toen ze thuiskwamen.

Samen met mijn vriendje R. zette ik daarop een verwoede speurtocht in. Eén van R.’s bijzondere talenten was, dat hij met praktisch iedereen goed kon kletsen. Hij legde het junkie-vriendje uit (met enige dramatische overdrijving) hoe verslagen mijn ouders ervan waren, en blijkbaar maakte dat indruk. De tandeloze jongeman kwam een dag later op zijn fiets langs, met in zijn armen een kleine houten boeddha. De enige die hij van de heler terug had kunnen krijgen.

Het antieke exemplaar met gevouwen handen, zag er nog even sereen uit als vóór het avontuur. Dat was een hele troost.

Toen ik vele jaren later zelf met de zenbeoefening begon, zag ik voor het eerst mensen voor een Boeddhabeeld buigen. Ik moest eerst even wennen, maar het voelde eigenlijk heel natuurlijk.

Als kind, als we op vakantie gingen en onderweg een mooie kerk bewonderden, had ik soms ook stiekem geknield voor een Maria of een Jezus. Alleen als mijn ouders niet opletten weliswaar!

In de zentempel in Japan werd dit respect een vanzelfsprekendheid, een tweede natuur. Iedere keer dat je voor het grote Boeddhabeeld in de Dharmahal langsliep, zelfs al was het op dertig meter afstand, hoorde je je naar de Boeddha toe te wenden en te buigen. We staken altijd kaarsjes bij de beelden aan, stoften ze af, offerden water, bloemen en wierook. Het had iets heel moois.

Hoe heerlijk dat gevoel, om tijdens de eredienst in een volledige buiging je voorhoofd op de tatami te leggen vol eerbied en verwondering.

Later, na Japan, keerde ik terug in het huis van mijn ouders. Er waren toen alweer zeven of acht boeddhabeeldjes, en ik begon ze allemaal van water, wierook en bloemen te voorzien. Het leek me tegen die tijd eigenlijk heel vreemd om ze puur als kunstvoorwerp te beschouwen.

Maar dan, wat is pure kunst? Wat een beeldje uitstraalt, bepaalt toch zijn schoonheid?

Tegelijkertijd, het is allemaal upaya, ‘skillful means’ denk ik: middelen om je te realiseren dat je in wezen niet afgescheiden bent, geen losstaand persoon. Staat een boeddhabeeld niet eigenlijk symbool voor onze Boeddhanatuur? Wellicht kun je gaan inzien dat de Boeddha waar je voor buigt, niets anders is dan je Ware Zelf. In wezen is er geen afstand, geen onderscheid.

Maar wie zal zeggen wat de juiste manier is om je tot een antiek boeddhabeeld te verhouden? Voor de een is het een manier om aan een shot te komen, voor een ander een manier om te genieten, of te speculeren, of te pronken. Sommigen vragen het beeld om een zegen. Weer anderen uiten hun devotie. Allemaal op de een of andere manier op zoek naar vrede en geluk.

Maar echt blijvend geluk komt pas, zei onze zenmeester Harada Tangen, als je je kleine ‘zelf’ verliest.

Wanneer je hem een cadeau bracht, legde hij het meteen op het altaar. ‘Voor de Boeddha!’ fluisterde hij dan eerbiedig. En dan kon het cadeau daar dagen of weken onaangeraakt blijven liggen – tot een monnik het tenslotte meenam om het te gebruiken voor iedereen.

Ik ben vele jaren later nog eens op bezoek gegaan bij ons familielid; ze kwam tenslotte in een beschermde psychiatrische omgeving te wonen. Tot mijn blijde verrassing had ze op haar tafel een kleien boeddhabeeldje staan, met een kaarsje erbij.’

Was getekend Ciska Matthes. Wilt u ook uw ervaringen met het boeddhisme delen, mail ze dan naar redactieboeddhistischdagblad@upcmail.nl

Categorieën: Japans boeddhisme, Boeddhistische denkers en doeners, Boeddhisme, Geluk
Tags: ,

Lees ook:

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk