Roshisama’s pas had een zekere lichtheid en vreugde. Het leek net alsof hij danste, alsof hij gedragen werd door de wind. En eigenlijk was dat ook zo; boeddhanatuur bewoog dit leven zonder een idee van ‘ik’. Soms deed roshisama ons spottend na: ‘Jullie spreken met arrogantie: “ik loop”, “ik denk”, “ik beweeg”.’ Maar is het wel zo? Wie is het, die het lopen doet? Waar begint de beweging? Waar komen je gedachten vandaan? Wanneer je van binnen stil en leeg bent, merk je dat de dingen vanzelf gebeuren, dat er geen ‘doener’ is, geen ‘denker’. Het leven wordt spontaan en onbedacht, ontvouwt zich vanzelf in de onbegrensde ruimte van het gewaarzijn.

Dan weer zei roshisama, vol dankbaarheid en waardering: ‘Okage, okage de’ – dankzij, dankzij alles! Ieder moment heb je aan het hele bestaan te danken. Alles wat je maar kunt doen of ervaren, iedere ademhaling, ieder woord dat je zegt, het is dankzij alles, het hele universum. Vanuit dit diepe inzicht te leven maakt je nederig en dankbaar.

Als ik met twijfels en problemen naar hem toe kwam in dokusan en begon te klagen, had roshisama vaak een simpele respons: ‘Wagamama!’ riep hij fel en wuifde met zijn hand mijn klachten weg. Wagamama betekent egoïsme of zwelgen. In het Pali heet dit egoïsme mana – een verwaandheid, denken dat je los staat, dat je zelfstandig en onafhankelijk leeft. Dus het is niet zozeer in de alledaagse zin, het egoïsme van alleen aan jezelf denken ten koste van anderen – meer nog doelde roshisama op onze preoccupatie met onszelf, met de persoon die we denken te zijn en die we koste wat kost willen verdedigen. Deze begoocheling, waaruit elk lijden voortkomt, dit noemde roshisama ‘wagamama zammai’: een egoistische samadhi, de roes van het ‘ik’:​ ​ mijn​ denken, ​ mijn wereld, mijn verlangens… ‘Je maakt jezelf zo klein en beperkt!’ zei roshisama.

De kleine ‘ik’ die ik geloofde te zijn, het ego-denken, vatte zijn ‘wagamama’ ironisch genoeg vaak heel persoonlijk op als kritiek en zo kwam er schaamte of frustratie: ‘Ik zit verkeerd in elkaar, ik zou anders moeten zijn!’ Dat maakte de identificatie alleen maar sterker en deprimeerde me. En tegelijk was er iets in mij dat intuïtief wist wat hij eigenlijk bedoelde – en wist dat het waar was. Als mijn denken niet zo zou blijven steken in obsessies en preoccupaties, zou er vrijheid zijn.

Tijdens samu (werk) snelde ik van hier naar daar in mijn zwart katoenen samu-broek. Gauw een emmer water halen, en hup weer op weg naar de volgende klus. Met mijn hoofd al bij de volgende taak, gulzig om alles zo snel mogelijk te doen, rende ik op mijn slippers over de paden voor de hondo (Dharmahal). Roshisama stond in zijn zijden robe bovenaan de trap in de hondo en observeerde me een tijdje. ‘Damee!’ (Fout!) riep hij opeens naar me. Ik stopte verbouwereerd en keek hem vragend aan. Roshisama lachte vrolijk en deed me plagerig na, wild zwaaiend met zijn armen en zijn hoofd in alle richtingen draaiend. ‘Pieuw pieuw pieuw, ​ego mind’, lachte hij. Zo had ik er ongeveer uit gezien, blijkbaar. ‘Hunh!’ zei ik fronsend, van mijn stuk gebracht en een beetje beledigd. Het woord ego-geest klonk als een verwensing in mijn oren. En dat, terwijl ik zo hard aan het rennen was.

Maar nu gebaarde hij kalmerend met zijn handen: rustig, rustig, kalm aan… ‘Most sorry yourself,’ zei roshisama nadrukkelijk – je hebt jezelf er alleen maar mee. En zo was het ook. Zolang ik te trots was om zijn raad op te volgen en bleef gehoorzamen aan mijn dwangmatige impulsen, ervoer ik een eeuwige onrust. Ik herpakte me en ging zo rustig als ik opbrengen kon verder, met meer aandacht ook, en roshisama knikte tevreden vanaf de trap: ‘Yoshi, yoshi.’ (Goed zo, goed zo.)

‘Just drop ego’ Ik was al meer dan een of twee jaar in Bukkokuji en door roshisama’s waarschuwingen me vooral bewust geworden van mijn egocentrisme. Het bleef ploeteren. Op een dag zat ik in dokusan op mijn knieën voor hem in de kaisando en vroeg hem: ‘Het duurt allemaal zo eindeloos, ik schiet niet op. Hoe lang moet het eigenlijk duren om verlichting te bereiken?’ Roshisama keek me een tijdje onderzoekend aan en zei toen opgewekt: ‘Twee weken hooguit!’ – ‘Twee weken?!’ vroeg ik vertwijfeld. ‘Hoe dan, roshisama?’ ‘Just drop ego! Gewoon je ego loslaten! Laat het vallen!’ zei hij beslist. ‘Dan is het zo gebeurd. Het is niet moeilijk.’ Zijn oprechte optimisme gaf me nieuwe moed. Ik wist wel wat de bedoeling was: alleen maar een ding doen, met heel je hart, aan niets anders denken, je niet af laten leiden. De aandacht in de hara, hoofd leeg. Alleen maar nu, hier. Alleen maar dit. Geen ‘ik’ nodig. Zangerig als een dichtregel hoor ik in mijn herinnering: ‘Wagamama konjo harare to sutete!’ (Laat je egoistische gesteldheid los, laat hem varen.)

Roshisama’s onsterfelijke advies.

Ciska Matthes woonde en trainde van 1999-2005 (zes jaar lang) in Bukkokuji, de tempel van de in het voorjaar van 2018 overleden Harada Tangen roshi in Obama, Japan.

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

2 reacties op Herinneringen aan Harada Tangen roshi – lopen zonder ‘ik’

  1. Marcel v campenhout schreef:

    Dankjewel voor het delen van deze herinneringen.

    Marcel.

  2. Ciska schreef:

    Dank terug voor jouw en alle reacties, het is heel fijn om te weten dat het gewaardeerd wordt!

Menu