In de Japanse cultuur is nederigheid een hoog gewaardeerde kwaliteit. Dit kan nogal verwarrend zijn voor ons westerlingen – speciaal voor Nederlanders vermoed ik – die zijn grootgebracht met waarden als assertiviteit en vrije meningsuiting. Wanneer je bijvoorbeeld tegelijk met iemand anders een deuropening naderde, bleek het in de tempel gebruikelijk en beleefd om enkele meters voor de deur al te stoppen en diep te buigen om de ander voor te laten gaan. Er ontstond zo een ritueel van buigen en aarzelen dat een tijdje kon duren totdat een van de twee met veel bedankjes en verontschuldigingen als eerste door de opening ging.

Als er een verschil in leeftijd of hiërarchie was, was het duidelijk wie als eerste zou gaan; anders was het een kwestie van aftasten en afwachten. In zekere zin was degene die de ander uiteindelijk voor kon laten gaan de bevoorrechte met de grootste nederigheid. Als tamelijk ongeremde, ongeduldige vrouw uit Amsterdam, die haar hele schoolcarrière geregeld de klas uit gestuurd werd wegens onhoudbaar geklets en gegrap, ging ik van nature een beetje anders met zo’n kleine situatie om. Ik stelde me voor, dat we best wel tegelijk door de deuropening konden als ik maar een beetje zwenkte, of ik schoot vooruit de deur door, om de ander de kans te geven in rustig tempo te volgen. Totaal onaangepast gedrag dus. En daarbij ergerde ik me in mijn onwetendheid zelfs aan het wachten en buigen van de ander! Het duurde zo maanden, jaren voor ik mijn impulsieve en wilde gedrag wat kon intomen. Diepe culturele, aangeleerde gewoonten zijn heel moeilijk los te laten, merkte ik.

Ik bemerkte soms een vreemde paradox in deze nederigheid. In de Kannondo hielden we elke ochtend vlak voor het ontbijt een dienst voor Kanzeon, de bodhisattva van het mededogen. We zongen de Hart Soetra en de Enmei Jikku Kannon Gyo gezamenlijk en gingen dan een voor een langs het altaar om elk wat wierookkorrels te offeren en een mooie buiging te maken voor het antieke beeld van Kanzeon. De monniken mochten eerst, dan de lekenmannen, dan de nonnen (indien aanwezig) en tenslotte de lekenvrouwen. Deze hiërarchie werd overal aangehouden, dit was traditionele Zen. De Japanse vrouwen gingen hier op hun eigen manier mee om: er ontstond een enkele keer zelfs een kleine maar felle wedstrijd in nederigheid. Een paar van de jongere vrouwen begonnen zich tegen de muur te drukken om maar alsjeblieft de allerlaatste te zijn en soms kon je ze horen tegenstribbelen als de een de ander naar het altaar wilde duwen. De oudere vrouwen hadden die interesse blijkbaar verloren. De jongedame die dit kleine wedstrijdje won, droeg dan een subtiele uitstraling van zelfgenoegzaamheid. Winnares in de nederigheid. Ik was zelf te ongeduldig, wild en springerig voor dit soort verfijndheden en rauschte overal tussendoor. Het moet voor de tempelbewoners soms wel heel schokkend – of amusant? – geweest zijn.

‘Sunaoni’ was een woord dat roshisama veelvuldig gebruikte – gedwee. Wees gedwee, pas je aan, heb geen wensen! Wat dit moest betekenen kon ik lezen in zijn gedrag. Na het ontbijt dweilde ik elke morgen de stenen vloer in de hal van de tempel. Boven deze hal was roshisama’s kamer, en het gebeurde soms dat hij juist naar beneden kwam als ik bezig was met dweilen. Bips omhoog, handen over de vloer. De jonge monniken zagen mij ook bezig, ze aarzelden nauwelijks een moment, schoten dan toch in hun slippers en glipten over de natte vloer naar buiten, wat sporen na latend in het glimmende oppervlak. Een enkeling stopte wel even, keek me aan en vroeg: ‘Daijobu?’ (OK?) en gleed dan met toestemming over de natte vloer. Maar roshisama liep altijd om. Hij hield zich stilletjes op een afstand als hij me bezig zag, knikte waarderend en liep dan zachtjes naar een andere uitgang verderop. Soms pakte hij zijn schoenen eerst even of hij verdween gewoon tot ik klaar was. Als ik het merkte, dan bracht ik hem zijn schoenen achterna of zette ze voor hem klaar bij de andere trap. In dit soort simpele gebaren van roshisama bespeurde ik iets dat echt was, niet aangeleerd. Hij had een natuurlijk respect voor de kleinste dingen. Ik wilde zo graag ook zo worden! Dat was wel een hele weg te gaan.

Banmotsu ittai naru – alle dingen zijn één lichaam Voor roshisama leek er geen harde scheiding te zijn tussen hemzelf en de omgeving. Zijn respect en nederigheid vloeiden daar van nature uit voort. Aldoor herinnerde hij ons: ‘Banmotsu ittai naru!’ – ‘alle dingen zijn één lichaam’. De linkerhand vecht toch ook niet met de rechterhand, legde hij uit, want ze behoren tot hetzelfde lichaam. Je denkt misschien dat je gescheiden bent van de wereld om je heen, maar in wezen zijn we allemaal één lichaam. De handen kijken niet neer op de voeten: ‘haha, jullie lopen in het stof, maar wij zijn hier, hoog in de lucht’ en de voeten zijn niet jaloers: ‘ah, wij moeten het hele lichaam dragen en jullie heb het maar makkelijk daarboven’. Alleen het denken verzint zoiets. Nee, alles werkt samen, helpt elkaar, is één….

Ciska Matthes woonde en trainde van 1999-2005 (zes jaar lang) in Bukkokuji, de tempel van de in 2018 overleden Harada Tangen roshi in Obama, Japan.

Categorieën: Columns, Japans boeddhisme
Tags: , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

2 reacties op Herinneringen aan Harada Tangen roshi – nederigheid

  1. Marjolein schreef:

    Prachtig verhaal Ciska!

  2. bart schreef:

    Nooit willen zijn die je bent?

Menu