Krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe… nebbe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, seppe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, rap, rap, rep, rep.

Er zitten drie jonge mensen op een bankje in de prachtige stadstuin onderaan de Hoge Kloosterbunker waar het Boeddhistisch Dagblad elke dag wordt samengesteld. Ik zag ze aan komen lopen, twee slungelige jongens van een jaar of veertien. Opgeschoren zijhoofden en een kuif. Strakke T-shirts. Het meisje gekleed in een korte broek, de lange slanke benen goed zichtbaar. De jongens gaan zitten en laten in hun midden een ruimte open. Ze peilt die plek, ik zie het, ze komt in een onvrije situatie terecht. Ze mag niet kiezen maar gaat toch zitten. De jongens pronken met hun veren, staan op en doen een soort dansje. Hanengedrag in de dop.

Krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe… nebbe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, seppe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, rap, rap, rep, rep, rep.

De jongens praten met elkaar en het zwijgende meisje. Dit is wat ik hoor. Krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe… nebbe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, seppe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, rap, rap, rep, rep, rep.

Die stadstuin produceert een rare akoestiek, het is een vervormerende echoput. De jongens praten als rappers zo lijkt het. Heel snel. Hun woorden, hun stemmen, gaan hoger dan de Hoge Kloosterbunker. Hoger en hoger, komen terecht in een ruimte waar ook tekst van anderen dwarrelt. Van Floris de Vijfde, der Keerlen God, Boeddha ook, wat een zachte stem heeft de Verhevene. Hij is duidelijk geen rapper.

Krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe… nebbe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, seppe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, rap, rap, rep, rep, rep.

Ik besef hoe ik me inspan, op het balkon van de Kloosterbunker, om de woorden te verstaan van die twee jongens op dat bankje en dat meisje tussenin. Ik besef dat ik, ook al wordt het geluid niet gescrambled, versluierd, in andere gevallen weleens af wil dwalen met mijn gedachten, als ik weet wat de ander gaat zeggen of ik toch al mijn antwoord klaar heb. Of gewoon niet aandachtig genoeg ben. Het gebeurt me meer dan mij lief is. Ik heb nog veel te leren, moet meer aandacht voor aandacht hebben.

Krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe… nebbe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, seppe, krebbeknakkrackrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe, rap, rap, rep, rep.

De Keerlen God en de Boeddha hebben genoeg van dat gestaar van mij. M’n oren zo groot als antenneschotels. Ze grijpen in. Het beeld verandert.  Er zit een Doffer- de Karunaduif, op de bank in de stadstuin, met de Grote Alexander Parkiet en de Roodpotige Egyptische Postduif boven hem in de stervende bomen. Vervuld met groot mededogen en aandacht voedert hij de passanten. Ik hoor het. Roekoe, roekoe.

Boeddha Dagobert Duck commercie in het boeddhismeDit is aflevering 44 in een nooit eindigende serie columns.

Moge iedereen gelukkig zijn, ook zonder bank.

 

Categorieën: Joop Hoek, Columns
Tags: , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

4 reacties op Krebbeknakrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe…

  1. […] Read this article: Krebbeknakrebbekrebbenebbe…krebbe…krebbe…rebbenebbe… – Boeddhistisch Dagblad […]

  2. G.J. Smeets schreef:

    Meneer de redacteur!

    :)

  3. Piet Nusteleijn schreef:

    Joop, hoe gaat het met je? Heb je ergens last van gehad ?

  4. Joop Ha Hoek schreef:

    knebbe rep pep

Menu