In Arnhem stappen jongelui in met grote tassen en uitpuilende rugzakken. In gedachten zie ik moeder – blij dat ze haar kroost weer om haar heen heeft – de vuile was van twee weken in de wasmachine proppen. Een oudere vrouw gaat direct rechts achter me zitten, op de ‘praatstoel’. Ze had me bij het instappen een groene connexxion-kaart laten zien, waarmee directe familie en gepensioneerden gratis kunnen reizen.

‘Per één januari kan het niet meer. Bezuinigingen, u weet wel. Ik heb zeventig jaar zo´n kaart gehad. Toen m’n man twaalf jaar geleden overleed, mocht ik de kaart houden. Maar nu niet meer. Ik dacht: laat ik op de laatste dag van het jaar dan nog maar ’s een mooi ritje maken.´

´Nou, ik denk als u volgend jaar met die kaart aankomt, u nog steeds mooi voor niks mee kunt.’

‘Oudere chauffeurs zullen er misschien niet zo gauw een probleem van maken, maar de jongere kunnen soms op hun strepen staan, hoor! En helemaal die controleurs in hun gele jassen, die denken dat ze heel wat zijn. Nee, ik waag het er maar niet op. Kijk, daar, in het derde huis voorbij het Rijnpaviljoen, daar hebben mijn man en ik gewoond!’

‘Zo, dat is mooi wonen. Je hebt er vast een schitterend uitzicht over de Rijn en de Betuwe.’

‘Totdat de gevechten begonnen. De ene zaten onderaan de berg en de anderen boven. Ze schoten op mekaar.’

Het leek haar niet uit te maken wie nou wie was.

‘Toen werden we geëvacueerd. In open wagens naar Apeldoorn, via de Woeste Hoeve. De buurvrouw zei dat je maar het beste helemaal tot Apeldoorn mee kon rijden.’

‘Dat moet een spannende tijd geweest zijn.’

‘Dat was het zeker. Maar als ik nu op de televisie die stumperds in Afrika zie en in Irak-of-hoe-heten-die-landen-allemaal dan hebben wij nog geboft. Kinderen, bejaarden, iedereen schieten ze overhoop en snijden ze de keel open. Het is alleen maar honger en oorlog in die landen. ’t Is toch verschrikkelijk?’

Op de halte Mariëndaal stappen een man en een vrouw van een jaar of veertig in. Beide lopen ze in zware wandelschoenen. Ze lijken onwennig met elkaar. De man wil instappen maar trekt zich op het laatste moment onhandig terug om de vrouw voor te laten. Ik vraag me af of dit nou een ‘date’ is.

‘Direct na de oorlog vond m’n man werk als buschauffeur bij de VAD en toen zijn we maar in Apeldoorn blijven wonen. Je was al lang blij als je werk had.’

In Oosterbeek stuur ik naar beneden. 51 gaat onderlangs. Aan de rand van de uiterwaarden staat een oud kerkje. Ernaast loopt een smal, onverhard pad. Na de mislukte aanval vluchtten over dit paadje de weinige nog levende geallieerde soldaten naar de Rijn waar ze met gammele bootjes overgezet werden naar Driel. Soms, als het schemert en m’n hoofd is leeg, zie ik een stoet bange, bloedende, kermende jongens oversteken naar dat pad. Dan rij ik langzamer dan anders.

Aan het eind van de middag rij ik door Arnhem-Zuid. Plotseling word ik vanaf een loopbrug bestookt met rotjes en bommen die links en rechts van me ontploffen. Ik schrik me het apelazarus. Op de eindhalte iets verderop haal ik diep adem. Ik denk aan de vrouw tussen de vurende legers, aan die stumperds in Afrika en in Irak-of-hoe-heten-die-landen-allemaal en aan die jongens aan de Rijn. In de stad zwelt het bombardement aan.

Er zit nog net een slokje water in m’n bidon. Die twee wandelaars hebben nog heel wat af te tasten, glimlach ik, maar het komt uiteindelijk vast wel goed.

(Dank voor de begripvolle reacties van vorige week.)

Categorieën: Eelco van der Meulen, Columns
Tags: ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu