Afgelopen zomer passeerde Claudine, een vriendin van Mieke, ons dorpje, met in haar kielzog enkele Nederlandse gezinnen waarvoor ze als reisleidster optrad. We hadden haar aanbevolen om eens typisch Thais te komen lunchen in het plaatselijke restaurant. Claudine en Mieke hadden elkaar al ruim 15 jaar niet meer in levende lijve ontmoet, dus de lunch werd meteen een hartelijk weerzien. Claudine had de groep uitgelegd waarom de keuze voor een lunchplek uitgerekend op Nong Noi was gevallen en dat had de mensen nieuwsgierig gemaakt. Onder het motto “Ik vertrek, live” wilden ze wel eens kijken wat we gebouwd hadden en wat ons bezielde. De buschauffeur durfde het smalle weggetje naar Baan Din niet in, dus laadden we de helft van de groep in de achterbak van de pick-up en na een tweede ritje was ons huisje omgetoverd tot een toeristische attractie met 17 bezoekers.

Natuurlijk kregen we allerlei vragen over onder meer de bouw, de techniek, de kosten en het leven in Thailand. Op een gegeven moment merkte een van de deelnemers op dat we heel enthousiast en positief over alles aan het vertellen waren, maar dat hij zich afvroeg of er ook dingen waren die ons erg tegenvielen. Een logische vraag, maar we stonden toch even met onze mond vol tanden. Ik geloof dat Mieke na lang nadenken nog wel de taal wist te benoemen, maar verder kwamen we niet.

Ook uit onze blogs straalt een louter positief beeld. En dat klopt ook wel. Voordat we überhaupt maar besloten om naar Thailand te verhuizen wisten we al dat de dingen hier heel anders gaan dan in Nederland. En voordat we daadwerkelijk vertrokken spraken we af om de dingen steeds te nemen zoals ze gaan. Dus vullen we zonder te mokken zinloze formulieren in, eten met smaak de maaltijd die we niet besteld hadden op, concluderen dat een naar ons begrip onlogisch aangelegde waterleiding gewoon water geeft en verven we de vloer die de bouwers precies die kleur hadden gegeven waarvan we gezegd hadden dat we die niet wilden. We hadden die voorbeelden kunnen noemen in antwoord op de vraag van de bezoeker, maar ze vallen wat ons betreft niet onder de tegenvallers.

Zoals dat zo vaak gaat, kwam het antwoord pas nadat de groep weer vertrokken was. Dat ik er nu, zo’n 8 maanden later, pas over schrijf komt doordat we er momenteel weer volop mee te maken hebben: smog. In Nederland is dat meestal een onzichtbaar verschijnsel, waar je je alleen van bewust wordt als er voor gewaarschuwd wordt. Hier is het een vieze mist. Na de regentijd begint die geleidelijk aan binnen te dringen. De bergen worden langzaamaan vager en ergens in januari verdwijnen ze helemaal uit het zicht. Afhankelijk van vooral de windkracht en -richting, en regen, komen ze soms weer even tevoorschijn, maar op andere momenten is zelfs de bosrand op een paarhonderd meter afstand in vuile nevelen gehuld. Thailand heeft de twijfelachtige eer om regelmatig in de top 10 van landen met de meeste smog te staan en de stad Chiang Mai heeft dit jaar al enkele keren de eerste plaats weten te bemachtigen.

November

Maart.

We zouden natuurlijk naar het Zuiden kunnen verkassen. Lekker aan zee, en een smog-coëfficiënt van 60. Nog altijd boven de als veilig beschouwde grens van 50, maar beter dan de 157 van Lampang (die overigens weer een stuk beter is dan de 287 die we een week geleden voor de kiezen kregen.

De ervaring leert echter dat binnenkort op Kalimantan, het Maleisische deel van Borneo, weer begonnen wordt met het op grote schaal afbranden van landbouwgrond. Dan krijgt ook het Zuiden de volle laag.

De overheid adviseert om mondkapjes te dragen en de planten vaker water te geven. De overheid vraagt overigens ook om in de droge tijd zuinig te zijn met water. Websites die de smog-waarden weergeven komen ook met tips, zoals: blijf binnen, ramen en deuren dicht en airco aan. Los van dat ons huis open is en geen airco heeft, is het bizar dat je de smog het beste kunt weerstaan met energieslurpende apparatuur die nog meer smog veroorzaakt. We zullen ermee moeten dealen.

Nu we toch bezig zijn: de taal mogen we inderdaad ook onder de tegenvallers scharen. Stiekem hadden we toch wel gehoopt na twee jaar wat minimale conversaties met Thaise mensen te kunnen voeren, maar daar zijn we nog mijlenver van verwijderd. Voor een deel komt dat doordat de mensen om ons heen, inclusief de Thai, vrijwel allemaal Engels spreken. Ons Engels is dus wel met sprongen vooruit gegaan, maar dat is niet zo belangrijk. Voor een ander deel ligt het simpelweg aan onszelf: we zouden gewoon iedere dag een uur moeten studeren. Dat voornemen rakelen we regelmatig op, maar sterft dan weer snel vanwege allerlei andere klusjes. Als gevolg daarvan blijven de sociale contacten in het dorp ook beperkt. Maar ja, in Maashees woonden we ook achteraf, zonder contacten in het dorp, anders dan met de buren. We zijn wel een beetje kluizenaarstypes.

Misschien moet ook het zonne-energiesysteem bij de tegenvallende dingen genoemd worden. Het lijkt zo mooi: je monteert een zooitje panelen op je dak, paar accuutjes, omvormer en klaar. Die paar accu’s zijn er uiteindelijk maar liefst 8 geworden. En dan moesten we nog hemel en aarde bewegen om de installateur zo ver te krijgen, want die vond dat we er minimaal 16, maar eigenlijk zelfs 24 nodig hadden. De 8 accu’s leveren net voldoende om ‘s avonds een paar ledlampjes te laten branden, de computer te gebruiken, een ventilator te laten draaien en de koelkast de hele nacht aan de gang te houden. De waterpomp gebruikt als hij draait niet zo veel stroom, maar op het moment dat hij aanslaat heeft hij zo veel nodig dat de omvormer problemen krijgt. De pomp moet dus op het aggregaat draaien. Gelukkig is die alleen nodig voor het bewateren van de tuin. Maar een systeem met 8 accu’s die gemiddeld iedere 5 jaar vervangen moeten worden en ondersteuning van een aggregaat, dat valt niet alleen qua kosten, maar ook qua milieuvriendelijkheid best tegen.

Nou, oké, eentje dan nog: de tuin. Ook weer eigen schuld dikke bult, want we hadden ons voorgenomen maximaal 1 rai (1600 m2) te kopen en zitten nu op 2,25 rai. Dat is dus 2,25 keer zo veel onderhoud. De dikke kleilaag is bijna niet te bewerken en de jonge aanplant heeft dagelijks water nodig. En dan zijn er nog die vervelende kevers die zich overdag verborgen houden in nesten in de grond en in zich het donker tegoed komen doen aan allerlei planten. Ze zijn er niet het hele jaar, maar nu wel, en ze zoeken natuurlijk niet het kruidjeroermeniet uit, of andere woekeraars waar we graag vanaf willen. Nee, de stelregel is: wat wij mooi vinden vinden zij lekker.

Maar er is hoop: veel planten hebben de kevervraatzucht van vorig jaar overleefd en we eten inmiddels tomaten uit eigen tuin. Aan de mangoboom zitten piepkleine vruchtjes en er hangt een noina aan de gelijknamige struik. Van de hydrocultuurtafels oogsten we regelmatig de lekkerste sla. Dus zo erg is het allemaal nou ook weer niet.

Uiteindelijk zijn tegenvallers natuurlijk slechts zo erg als je ze zelf laat zijn. Dat niet alles altijd precies volgens planning verloopt hoort bij het leven. Ook in Thailand. Vandaar dat we zo weinig mogelijk plannen. Een blog over tegenvallers staat in ieder geval niet meer gepland. Eentje in de 2 jaar is meer dan genoeg.

Mieke Kupers en haar echtgenoot François la Poutré wonen sinds januari 2017 in Thailand. Ze schrijven over zaken die hun aan het hart gaan en of op hun pad komen. Het paar woont in een klein, zelf van bamboe, klei, leem en zand gebouwd huisje in Noord Thailand.

 

Categorieën: Columns, Reisverslagen
Tags: , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

2 reacties op Op weg naar Thailand – smog, taal, solar, tuin

  1. Zeshin schreef:

    Blijf schrijven, leuke blog.
    En succes met alles.

  2. François la Poutré schreef:

    Dank je wel. Altijd leuk om te zien dat het gelezen en gewaardeerd wordt.

Menu