De kyosaku of keisaku – ‘wekkende stok’ of ‘helpende stok’ is voor veel mensen het schrikwekkende symbool van zen. Het is een ronde stok met een plat uiteinde. De monnik die over de zendo waakt, draagt de stok bij zich en gebruikt hem voor wie in slaap is gevallen of wie er zelf om vraagt. Dit gaat volgens een aandachtig ritueel van wederzijdse buigingen. Normaal gesproken raakt de stok alleen de rug- of schouderspier. Dat kan voor een kort moment pijnlijk zijn, het is als een ferme massage die je even door elkaar schudt. In de zomer wordt er een lange kyosaku gebruikt die flink meeveert in het gebruik, maar in de winter is het een kortere, minder buigzame lat, die door de dikke lagen kleding nog het gewenste effect kan hebben.

Mijn avontuurlijke moeder, destijds al over de zeventig, kwam iedere winter naar Bukkokuji voor een goede maand om zich aan het tempelregime te onderwerpen. Zij was heel enthousiast over de kyosaku: ‘Het geeft energie’, zei ze. Zelfs al werd je niet getrakteerd op een klap, dat er een monnik rond paradeerde met een geheven stok, hield je wel bij de les. Soms liet mijn moedertje zich slaan, en dat vertelde ze me dan later enthousiast. Ik vermoed wel, dat de monniken deze lieve, oude dame een wat mildere behandeling gaven.

Roshisama had nogal een naam in zijn jonge jaren, met de kyosaku was hij de schrik van de zendo! Toen ik in Bukkokuji was, haalde hij hierover graag herinneringen op. Geregeld was het gebeurd dat door de kracht waarmee hij sloeg, de kyosaku doormidden brak en door de lucht schoot om met een klap tegen het plafond te slaan. En nog gebeurde dit af en toe in onze zendo. Roshisama had er het grootste plezier om.
In zijn jonge jaren bij zijn meester Daiun Sogaku was de sfeer in de zendo elektrisch. De knallen van de kyosaku waren als vonken van energie uit het brandende verlangen naar bevrijding. Phil Kapleau (auteur van The Three Pillars of Zen) was in die tijd een van de meest toegewijde studenten in de zendo.
Roshisama vertelde hoe hij op een dag Kapleau observeerde in de ofuro (het Japanse bad) door de stoom heen: het was net alsof Kapleau een handdoek over zijn schouder droeg. Maar nee! Het was een knalrode striem, veroorzaakt door de kyosaku-klappen. ‘Grote compassie! zei Roshisama over de kyosaku. Een compassie die geen ruimte voor twijfel of onwetendheid toelaat. Zelf was hij ooit eens in slaap gevallen op zijn kussen of heel ver weg gedroomd. Hij had niet eens gemerkt dat de bel voor dokusan (gesprek met de meester) was geluid en bijna iedereen uit de zendo was verdwenen. Opeens voelde hij de zachte aanraking van de stok op zijn schouder, als een liefkozing. Eindeloze vriendelijkheid. Stilletjes teruggebracht in het hier en nu. Want dat was uiteindelijk waar de kyosaku voor is: ​ima-koko…
​ (nu, hier).

Bij periodes ging er bij ons in Bukkokuji ook een soort hype door de zendo, dan lieten de zenstudenten zich zoveel mogelijk door de kyosaku raken. Misschien wilden we de vroege jaren van roshisama nabootsen. In de zendo zat iedereen met zijn gezicht naar de muur – zoals zenpatriarch Bodhidharma – en als de ‘junko’ (‘wierook-patrouille’) langskwam, kon je gassho (gevouwen handen) maken. De monnik stopte dan, boog achter je rug en je boog mee, dan legde hij de lat op je schouder en gaf een flinke klap.
Soms deed ik met die koorts mee, in de hoop iets hoogstaands te bereiken of te bewijzen. Ik was meestal doodmoe tijdens zazen in de avond; ik sliep altijd te weinig en matte mezelf overdag af met zwaar lichamelijk werk. De klappen brachten me een moment helderheid, wat helaas nooit langer dan een paar ogenblikken duurde.
Mijn kamergenote was een jonge Japanse met een ijzersterk karakter. Keer op keer liet ze zich op haar schouder slaan, vele sessies en dagen achtereen. ‘sAvonds in onze kamer kleedde zich extra traag om, zodat ik haar blauwe plekken uit mijn ooghoeken kon bewonderen. Of het allemaal veel zin had en hielp om het ego-denken te stoppen, dat betwijfelde ik wel eens. Het bleef toch een stoer ding – om te presteren, uitblinken, uitdagen. Op den duur observeerde ik bij mezelf meer trots dan nederigheid en ik besloot de kyosaku voorlopig te laten voorbijgaan.

Dit was de andere manier waarop de kyosaku je hielp en wakker hield: het was een spiegel, een confrontatie met je eigen toestand. Wanneer de junko me eens ongevraagd kwam bedienen – terwijl ik helemaal niet slaperig was! – dan kon ik terechtkomen in een draaikolk van gedachten: verontwaardiging, belediging, trots, oordelen, enzovoorts. Midden in dit lijden te moeten zitten van dergelijke tergende gevoelens en niets te kunnen doen… Behalve dan de onovertroffen oefening om ze weer los te laten en te overstijgen. Gewoon weer leeg zijn, terug in het moment. Een inademing, een uitademing… ​‘Hitoiki, hitoiki’,
​ zei roshisama – één adem, één adem. Adem voor adem, hier en nu!

Misschien dat het met zijn vroegere legerjaren te maken had, sommige jongens kregen van roshisama een haast militaire behandeling. Ik heb van een vriend uit de tempel achteraf gehoord, dat roshisama zelfs een keer iemand in dokusan met de kyosaku op het hoofd had geslagen. Hij was met roshisama een vruchteloze discussie van protest en kritiek aangegaan. Roshisama leek bij vlagen wanhopig om door ons koppige denken heen te breken, bereid om sterke middelen te gebruiken. Dit was de harde Japanse zenstijl, die bij hem waarschijnlijk ooit vrucht had gedragen. Westerlingen zitten misschien toch anders in elkaar? De jongen moest naar het ziekenhuis om de wond te laten hechten. Of hij zijn Ware Zelf op die avond heeft gerealiseerd, verhaalt de historie niet.

De liefde die achter de klappen lag werd op momenten heel voelbaar, als roshisama de trap op kwam gestommeld en met zijn bijna tachtig jaar alle aanwezigen (soms wel meer dan vijftig) in de zendo met zijn kyosaku kwam bedienen. De klappen hadden hun oude felheid verloren, maar niet hun intentie. We hoorden hem hijgen en zuchten: ‘Yoshi, yoshi’ (goed zo, goed zo). Je wist dat hij – letterlijk en figuurlijk – achter je stond tijdens de zazen, je streven naar verlichting.

Ciska Matthes woonde en trainde van 1999-2005 (zes jaar lang) in Bukkokuji, de tempel van de in het voorjaar van 2018 overleden Harada Tangen roshi in Obama, Japan.

Categorieën: Achtergronden, Boeddhisme, Japans boeddhisme, Zen
Tags: , , , , , , , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu